René Follet wil zichzelf nog steeds verrassen

Met het eerste deel van het tweeluik Terreur toont de hoogbejaarde Brusselaar René Follet (71) nog eens wat hij allemaal kan. De illustrator/stripmaker is gedurende zijn carrière vooral een ‘tekenaars tekenaar' geweest: iemand wiens werk hoofdzakelijk door zijn vakgenoten werd bewonderd. Het grote publiek heeft zijn albums nooit opgepikt. ,,Maar dat heb ik vooral aan mezelf te wijten'', vindt Follet.

,,Ik denk er nog iedere dag aan. Toch is het al vijftig jaar geleden dat ik in dat Brusselse café zat, Le Goulet aan de avenue Louis. Het bestaat nog steeds. Edgar Jacobs had me uitgenodigd wat met hem te drinken. Hij kwam samen met zijn vrouw om mij te vragen of ik samen met hem aan Blake en Mortimer wilde werken. Ik zou het inkten op me moeten nemen. Ik vroeg hem of mijn naam dan ook op de albums vermeld zou worden. Uiteraard zei hij dat daar geen sprake van kon zijn. Verwaand als ik was, sloeg ik zijn aanbod af. Ik was pas twintig en gek om die samenwerking af te wijzen.''

Maar spijt heeft Follet nooit van die afwijzing gehad. ,,Als ik ja had gezegd, had ik waarschijnlijk mijn verdere loopbaan gesleten bij Studio Hergé. Niet echt interessant'', zei hij hier onlangs nog over in een gesprek met de internetsite brusselsbdtour.com.

Follet begint al op zeer jonge leeftijd met publiceren. Hij is veertien (,,Maar het kan ook vijftien geweest zijn.'') als hij zijn eerste professionele opdracht krijgt. ,,Ik zat nog op school. Ik illustreerde oorlogs- en avonturenverhalen voor het blad Okay, toen een vriend van mijn vader me een opdracht gaf voor zijn reclamebureautje. Ik moest een zestigtal tekeningen maken voor Robert Lewis Stevensons Schateiland. De plaatjes zaten als sticker op de verpakkingen van het chocolademerk L'Aiglon. Kopers konden die stickers in een verzamelalbum plakken. De officiële tekenaar van het bureautje inktte mijn tekeningen en kleurde ze in.''

Dit type voorwerk voor anderen zal Follet zijn hele leven blijven verrichten. Weliswaar niet meer voor het reclamebureautje van zijn vaders kennis, maar wel voor andere striptekenaars als Vance en Mitacq. Voor Vance doet hij onder andere het voorbereidende tekenwerk voor Bob Morane, Bruno Brazil en Marshall Blueberry en voor Mitacq bij de series Joris Jasper en Stany Derval. Zijn naam stond nooit op de albums, maar inmiddels vond hij dat niet meer erg. ,,Het waren niet mijn strips, niet mijn personages. Ik deed het werk ook grotendeels uit collegialiteit. Iedere keer als ik werd gevraagd pagina's te schetsen, dan was dat om een collega te ontlasten die tot over zijn oren in het werk zat en omdat ik op dat moment geen ander opdrachten had. Zeker voor Vance deed ik het vooral omdat ik hem wilde helpen. Het ging altijd maar om een paar pagina's. Vance en Mitacq hebben me ook nooit om hulp gevraagd bij hun belangrijkste series XIII en De Beverpatrouille. Mitacq inktte mijn schetsen van Joris Jasper en zette ze om in zijn eigen stijl zonder mijn werk geweld aan te doen. Mijn tekenstijl was drukker dan de zijne, maar hij schikte zich wel naar de vele lijnen waaruit mijn tekeningen bestonden. Bij Vance heb ik me altijd afgevraagd waarom hij mijn hulp nu eigenlijk nodig had, want uiteindelijk bleef er van mijn voorwerk weinig anders over dan wat vage indicaties voor de pagina-indeling of de houding van personages. Ik deed al werk voor hem toen we zo'n vijfentwintig jaar geleden buren waren in Ukkel. Nadat hij naar Spanje WAS verhuiST, bleef hij me ze nu en dan om een pagina vragen, maar nooit om complete verhalen.''

Disciplines
Terug naar het begin van Follets carrière. Na de plakplaatjes voor het chocolademerk, komt hij in contact met Jean Doisy die bij Spirou/Robbedoes werkt. Via hem kan hij aan de slag als illustrator bij diverse jeugdbladen. Onder het pseudoniem Ref verricht hij ook wat tekenwerk voor Robbedoes, waarvoor hij in 1950 ook zijn eerste strip maakt. Het is een aflevering van de reeks De verhalen van Oom Wim. In dat zelfde jaar kan hij ook bij Tintin/Kuifje aan de slag, waarvoor hij enkele korte ‘waargebeurde verhalen' maakt van vier pagina's per aflevering. In 1953 maakt hij voor dit stripblad de western Rocky Bill op scenario van Yves Duval. Behalve als illustrator voor tijdschriften en boekomslagen, verdient Follet nu steeds meer zijn geld met het maken van strips. Zijn verdere carrière zou hij deze twee disciplines blijven combineren.

,,Diep in mijn hart voel ik mezelf het meest illustrator. Door de jaren heen heb ik vaak strips getekend, maar dat was altijd als ik een illustratieopdracht af had en het op mijn weg kwam. Toen ik jonger was, wilde ik wel graag fulltime striptekenaar worden. Uiteindelijk ben ik toch meer striptekenaar door de omstandigheden, maar ik heb me nooit opgejaagd gevoeld om een strippersonage jarenlang met me mee te slepen, zoals Tibet, Morris of Will. Ik hou van afwisseling en slaag er niet in om jarenlang aan een en dezelfde reeks te werken. Eind jaren zeventig heb ik voor Eppo Steven Severijn getekend. Uiteindelijk zijn het negen verhalen geworden, dat is het hoogste aantal dat ik voor een reeks gemaakt heb. Ik vind het heerlijk om na een strip weer eens lekker te gaan illustreren en omgekeerd.''

Volgens Follet komt die drang voort uit ‘grafische nieuwsgierigheid'. ,,Ik wil mijn tekenstijl steeds verder ontwikkelen. Als ik zie dat ik op een bepaalde manier niet verder kom, wil ik iets anders proberen. Een ander project, een andere stijl.''

Doorbraak

Follets ongedurigheid is er mede debet aan dat hij nooit is doorgebroken naar het grote publiek met zijn strips. Hij is voor velen onbekend, omdat hij geen langlopende of bekende series op zijn naam heeft staan. Al lag dat niet alleen aan zijn voortdurende nieuwsgierigheid naar een andere opdracht. ,,Mijn personages waren nooit een lang leven beschoren'', vertelt hij. ,,Van Steven Severijn zijn maar drie verhalen vertaald in het Frans. Kort voor zijn dood stelde Jean-Michel Charlier me voor om samen Joris Jasper weer nieuw leven in te blazen. Maar op dat moment had ik het te druk met een project dat me meer zekerheid bood en ik sloeg het aanbod af. Achteraf betreur ik dat wel eens, omdat Charlier mijn carrière wellicht in een andere richting zou hebben geduwd. Een andere gemiste kans, maar dit keer geheel tegen mijn zin in, was in 1967 toen ik op scenario van Maurice Tillieux S.O.S. Jan van Gent tekende voor Robbedoes. Het tekenen van deze avonturenstrip op zee beviel me enorm. Maar de toenmalige hoofdredacteur beweerde ineens dat de lezers in een enquête kenbaar hadden gemaakt dat de serie moest verdwijnen. Maar er waren nog maar enkele pagina's gepubliceerd! Vijftien jaar later is het verhaal nog wel in album uitgegeven, maar toen was het al te laat.''

Na deze teleurstelling maakt Follet in 1970 op scenario van Yvan Delporte nog De Zingari (een serie korte verhalen over rondreizende artiesten) voor Mickey (later zijn ze ook in Robbedoes gepubliceerd), enkele themastrips voor Dupuis en in 1974 voor Kuifje de avonturenstrip Ivan Zoerin op tekst van Jacques Stoquart. Samen met hem verstript hij ook Homerus' Ilias voor Glénat. Nadat hij in Nederland wat bekendheid heeft gekregen met Steven Severijn, neemt hij in 1981 van Jijé de serie Jan Kordaat over. Op scenario van Stoquart en André-Paul Duchâteau. Het avontuur duurt echter niet lang. ,,Ik voelde me er vreselijk bij, omdat ik steeds het gevoel had dat Jijé over mijn schouder mee keek. Ik wilde niet de stijl van Jijé en van Eddy Paape overnemen, maar wist niet goed wat ik met de strip aan moest: moest ik Jijés creatie trouw blijven of er mijn eigen stempel op drukken om niet op zijn reputatie mEE te liften? Dat is overigens het gevoel dat me bekruipt bij alle strips die na de dood van de schepper door iemand anders worden voortgezet. Volgens mij had Hergé gelijk te verbieden dat iemand zijn personage zou overnemen.''

Tekenstijl

Hoewel hij het merendeel van zijn tijd besteedt aan illustratiewerk, verschijnen er sinds eind jaren tachtig weer veel strips van hem. Na Jan Kordaat maakt Follet nog vier albums van John Flanders personage Edmund Bell (op scenario van onder andere Martin Lodewijk), twee albums van Loup Durands Daddy, de fantasy-serie Ikar met Makyo en twee reclamestrips voor Citroën. Met iedere nieuwe strip wisselt Follet niet alleen van genre, maar ook van tekenstijl. Voor Edmund Bell kiest hij ervoor de strippagina's te onderbreken met geschilderde platen, als in een ouderwets jongensboek. Voor Ikar meet hij zich een soberder tekenstijl aan, om de plaatjes die bevolkt worden door veel fantasiewezens overzichtelijk te houden en niet helemaal dicht te tekenen zoals met zijn gebruikelijke, barokke stijl zou gebeuren.

Al die verschillende stijlen hebben wel een ding gemeen: Follet zoekt altijd naar de ultieme zeggingskracht van ieder afzonderlijk plaatje. Waarschijnlijk is dat de illustrator in hem: ieder beeld op een pagina staat als het ware op zich en moet bovendien eenduidig zijn. Zijn personages doen dan ook vaak aan overacting: emoties worden door overdreven gelaatsuitdrukkingen weergegeven, beweging wordt gesuggereerd door onverwachte perspectieven en ver overhellende lichamen. Zijn voortdurende aandacht voor expressie maakt dat - ondanks de verschillende tekenstijlen - ieder album toch duidelijk herkenbaar van zijn hand is.

,,Ik ben me ervan bewust dat mijn tekenstijl eigenlijk niet geschikt is voor strips. Die vereisen een meer heldere, gestileerde lijnvoering. Maar hoe ik het ook probeer, ik slaag er niet in om mijn barokke tekeningen voldoende uit te kleden om een groter strippubliek aan te spreken.''

Follets grote voorbeeld is - naast Jijé - Hans G. Kresse. ,,Zijn unieke gebruik van zwart heeft een onuitwisbare indruk op me gemaakt.''

Terreur

De nu 71-jarige Follet is inmiddels aan een nieuw hoofdstuk in zijn stripcarrière begonnen. In november verscheen Terreur, het eerste deel van een tweeluik, opnieuw op scenario van Duchâteau. Het verhaal gaat over Marie Tussaud, de stichtster van het beroemde wassenbeeldenmuseum, die haar carrière begon tijdens de Franse Revolutie. ,,Duchâteau had me om een omslag gevraagd voor een van zijn boeken, Les masques de cire, dat ook over Tussaud ging. Het verhaal sprak me aan en ik stelde voor om samen een strip te maken. Hij ging akkoord en stuurde me steeds het scenario op voor vijf of zes pagina's die ik uitwerkte, waarna we aan een volgende gedeelte begonnen. Het verhaal is geïnspireerd op een dik boek over Tussaud door Gabrielle Wittkop-Menardeau uit 1976.''

Het verhaal is niet echt historisch verantwoord. Hoewel Follet zich over het algemeen uitgebreid documenteert voordat hij begint te tekenen, deinst hij er niet voor terug dingen te romantiseren. Zo was Tussaud in het echt waarschijnlijk niet zo'n knappe brunette als Follet haar voorstelt. Op de weinige afbeeldingen die van haar bekend zijn, wordt ze afgebeeld als een kleine, niet al te knappe blondine met een puntige neus. En voor het Londen dat hij in het tweede deel van Terreur (dat komend najaar moet verschijnen) aan het tekenen is, laat hij zich vooral inspireren door de schilderijen van de Engelse impressionist William Turner.

Hoewel hij het al jaren deed in zijn illustratiewerk, koos Follet voor deze strip voor het eerst voor de zogeheten couleur directe-techniek: de potloodschetsen worden niet eerst geïnkt, maar het origineel wordt direct geschilderd. ,,Ik werk met acryl. Olieverf heeft dagen nodig om te drogen en over het algemeen heb ik van iedere lijn die ik op papier zet later weer spijt. Op een natte pagina kun je niets overdoen, acryl droogt heel snel zodat ik vrijwel onmiddellijk iets kan corrigeren.''

Spijt heeft hij echter wel van deze keuze. ,,Het is heel arbeidsintensief. Al snel nadat ik eraan begonnen was, kwam ik er achter dat het me te veel tijd kostte. Wie goed kijkt, ziet dat de eerste pagina's een wat onhandig compromis zijn geworden: ik heb toch Chinese inkt gebruikt om contour aan te geven. Ik herkende me er echter niet in en besloot om toch weer alleen in couleur directe te werken, met alle risico's van dien als er iets mis gaat. Ik ben niet ontevreden over het resultaat, maar ik heb nog zo veel ander werk te doen…''

Al dat werk blijft Follet doen, omdat hij zichzelf nog steeds wil ontwikkelen. ,,Ik wil mezelf blijven verrassen. Ik zal nooit stoppen met tekenen. En ik wil verschillende dingen blijven doen, anders verveel ik me. Met mijn illustratieopdrachten heb ik al voldoende afwisseling. En ook met mijn strips wil ik steeds iets anders doen. In mijn vorige strip Ikar moest ik een fantasy-wereld tekenen, Terreur speelt zich af in een sombere periode van de geschiedenis. Mijn volgende strip zal weer wat lichtvoetiger zijn.''

Hans van Soest

Bronnen:
Citaten zijn (behalve aan de internetsite www.brusselsbdtour.com die in de tekst wordt genoemd) ontleend aan een interview met Follet in het Franse tijdschrift Bo Doï (nummer 57, oktober 2002) en aan een interview dat hem werd afgenomen door zijn collega Frank Pé in Les Dossiers de la Bande Dessinée (nummer 3, juni 1999).